Het Vlaams Gewest importeert de communautaire ruzie in het luchthavendossier

Deze ochtend moest de zaak “dwangsommen” tussen Bruxelles Air Libre Brussel en de Federale overheid voor de beslagrechter behandeld worden. Zowel het Vlaams Gewest, het Brussels Gewest als het BIM (Brussels instituut voor Milieubeheer) werden door de Federale staat erbij geroepen.

“Coup de thĂ©Ăątre” zonder voorgaande : het Vlaams Gewest vraagt op het allerlaatste ogenblik om deze zaak te behandelen, pleiten, en een vonnis te vellen ….. in het Nederlands.

Het Vlaams gewest heeft op eigen initiatief “derdeverzet” aangetekend op een volgende rechtszaak “schorsing” (8/11/2007) en werd vandaag hier uitgenodigd op aanvraag van de Federale staat. Ze is dus eerder buitenstaander dan voornaamste betrokkene.

Het is des te opmerkelijker dat de twee belangrijkste partijen de vereniging Bruxelles Air Libre Brussel en de Federale staat zijn, dat het dossier vanaf het begin meer dan een jaar geleden in het Frans behandeld werd in een gewest met een tweetalig statuut, en dat het uitsluitend het territorium van het Brussels gewest als onderwerp heeft, zoals volgens de statuten van onze vereniging.

De vereniging Air Libre veroordeelt het ter kwade trouw zijn en de vertragingsmanoeuvres van een derde partij, het Vlaams gewest, en vraagt zich af of deze strategie niet “toevallig” in het voordeel van de Federale staat is om onderweg van taal, advocaat, en rechter te veranderen.

De zaak werd uitgesteld tot 5 november 2007.

Uittreksel eis Vlaams Gewest vrijdag 19/10/2007 :

« 1. La concluante demande Ă  ce que la procĂ©dure soit poursuivie en langue nĂ©erlandaise, conformĂ©ment au prescrit de l’article 4, par. 1, 3iĂšme de la loi du 15 juin 1935 concernant l’emploi des langues en matiĂšre judiciaire.

2. Son siÚge est bien situé dans la Région de Bruxelles-Capitale mais la concluante a un caractÚre strictement unilingue et néerlandophone. (cf. Commentaire droit judiciaire, D. Lindemans, « Commentaar bij artikel 4 Wet 15 juni 1935 », Anvers, Kluwer, vol.52, 182).

ConformĂ©ment Ă  l’article 4, par. 1, 3iĂšme de la loi du 15 juin 1935, la concluante dispose d’un droit subjectif Ă  demander avant toute dĂ©fense et toute exception mĂȘme d’incompĂ©tence en sa qualitĂ© de dĂ©fendeur que la procĂ©dure soit poursuivie en nĂ©erlandais.

3. Il ne peut Ă©videmment ĂȘtre exigĂ© d’une administration strictement unilingue – telle la concluante – de poursuivre une procĂ©dure dans une autre langue nationale que la sienne. Il ne peut pas non plus ĂȘtre « prĂ©sumĂ© » que la concluante maĂźtrise une autre langue nationale. Ceci serait d’ailleurs contraire Ă  l’ordre public(voir article 4 de la Constitution).

4. Par contre, il peut ĂȘtre prĂ©sumĂ© que les autres parties en cause dans le cadre de cette procĂ©dure ont une connaissance suffisante de la langue nĂ©erlandaise. La concluante insiste notamment :
– sur le fait que la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale, l’Etat belge et l’IBGE sont strictement bilingues de par leur nature (et maĂźtrisent par dĂ©finition parfaitement le nĂ©erlandais : cf. les lois sur l’emploi des langues en matiĂšre administrative du 18 juillet 1966),
– sur le fait que l’asbl Bruxelles Air Libre Brussel est Ă©galement bilingue ou qu’elle peut Ă  tout le moins ĂȘtre prĂ©sumĂ©e avoir une connaissance suffisante du nĂ©erlandais, Ă©tant donnĂ© qu’il ressort de son nom « Bruxelles Air Libre Brussel » et du contenu de son site internet qu’elle utilise le nĂ©erlandais comme langue vĂ©hiculaire (piĂšce 1).

5. Pour ces motifs, il doit ĂȘtre ordonnĂ©, avant tout dĂ©bat de fond, que la procĂ©dure sera poursuivie en nĂ©erlandais. »